Hugo Abrial
Sinds kort kan het netwerktijdperk worden beschouwd als een nieuw paradigma of, in ieder geval, als een nieuw tijdperk. De adembenemende aantallen sociale en professionele netwerken, de snelheid waarmee die de informatie genereren, consumeren en verspreiden, met de nieuwe technologische ontwikkelingen van algoritmes en AI van de laatste decennia, vormen een significante verandering voor de geschiedbeoefening. Deze verdienen meer aandacht.
Aan het eind van de twintigste eeuw bedachten industriëlen, wetenschappers en technocraten, om het immense potentieel van het internet optimaal te benutten, steeds complexere nieuwe manieren om de kracht van computers te versterken. Tijdens die zoektocht werden de algoritmen die werden gebruikt om dat nieuwe doel te bereiken, zelf ook steeds complexer. Tijdens die zoektocht werden de algoritmen die werden gebruikt om dat nieuwe doel te bereiken, zelf ook steeds complexer.
Ook sommige historici kwamen in het begin van de eenentwintigste eeuw in de verleiding om de rijkdom van die algoritmen te benutten. Data mining werd toegepast om een grote hoeveelheid teksten te analyseren met innovatieve resultaten. Die algoritmen zouden het antwoord kunnen zijn op de revolutionaire veranderingen en uitdagingen die de maatschappelijke digitalisering met zich meebrengt. Bestudeerden historici gisteren nog de weinige overblijfselen die de tijd ons heeft nagelaten, morgen worden ze overspoeld door de overvloed aan bronnen die de digitalisering oplevert.
Dit opiniestuk probeert die ontwrichtende verandering met haar uitdagingen op de kaart te zetten. Het spoort geesteswetenschappen aan die nieuwe uitdagingen te erkennen, te begrijpen en aan te gaan.
Uitdagingen zoals de overvloed van bronnen, of een methodologische procedure voor online primaire bronnen die verwerkt moet worden volgens een nog vast te stellen criteria om bruikbaar materiaal te worden voor onderzoek, kunnen in twee grotere categorieën worden verdeeld. De eerste is ontologisch, de tweede is maatschappelijk. Om te beginnen de ontologische kwestie van de snel veranderende AI en algoritmen. De methodologie, la raison d’être (de reden voor het bestaan) en de ethiek. De tweede categorie wordt hier kort behandeld en zal later, in een ander paper, meer aandacht krijgen.
Raison d’être?
Te beginnen met de raison d’être. Hieronder een korte uitleg van de raison d’être van de geschiedbeoefening. Hierbij is het nodig om twee termen goed uit elkaar te houden, het historisch besef en de sociale geheugen.
Historisch besef is één van de fundamentele kwalificaties van de historicus, en van de mens in het algemeen. Het is een meetbare psychologische en maatschappelijke variabele, aangezien niet alleen mensen, maar samenlevingen, instellingen en organisaties van allerlei aard er een zekere mate van bezitten. Het is niet gebaseerd op een vast, objectief geheugen. Zoals historicus John Toch benadrukt, samenlevingen en mensen vergeten delen van de geschiedenis, bedekken ze met andere herinneringen of benadrukken andere delen van de geschiedenis.[1] Met het vergeten en veranderen van deze geschiedenis is de noodzaak van een zoektocht naar objectiviteit van het verleden, een doel om het verleden terug te brengen in zijn meest waarheidsgetrouwe vorm, altijd de missie van de historicus geweest.
Sociale geheugen en historische besef delen kenmerken en kunnen met elkaar verward worden terwijl er weldegelijk een verschil tussen de twee bestaat. Als men van het historische besef spreekt, spreekt men van een rigoureuze interpretatie van de Geschiedenis. Het sociale geheugen, daarentegen, is gebaseerd op een minder rigoureuze historische basis.[2]
Het sociale geheugen, zoals de naam al aangeeft, is het geheugen van een groep, samenleving of bevolking op een zeer selectieve historische basis, als gevolg van het normale menselijke instinct voor sociale bijeenkomst en een gevoel van saamhorigheid op basis van culturele, sociale en historische aspecten. Het sociale geheugen is de schepping en de basis van de zelfidentiteit en voedt zich van de historische vondsten van de historicus.
Historisch besef en sociaal geheugen zijn sociale en psychologische variabelen die proberen antwoord te geven op bepaalde ontologische vragen van het bestaan: waar komen we vandaan en wie zijn we? Eén van de taken van de historicus is het interpreteren van de bronnen, overblijfselen uit het verleden die ons zijn overgeleverd, in een poging deze vragen zo dicht mogelijk bij de historische waarheid te beantwoorden. De historicus doet dit door de bronnen en artefacten te interpreteren, door een nieuwe lezing van de bronnen te geven, door een nieuwe theorie naar voren te brengen of een oude theorie te herzien; en via academisch debat komt de historische wetenschap tot een historische consensus: een waarheid die de onbereikbare historische waarheid het dichtst benadert.
Veranderen nieuwe technologische verstoringen dit doel? Is deze redenering nog relevant, gezien het feit dat een kunstmatige intelligentie en een algoritme een oneindig geheugen en miljoenen, zo niet miljarden bronnen tot hun beschikking hebben, met een toenemend interpretatievermogen in de tijd? Niettegenstaande het feit dat in de nabije toekomst historische analyse van de samenleving niet mogelijk zal zijn zonder de hulp van computers vanwege de enorme hoeveelheid bronnen, of gegevens, die door diezelfde kunstmatige intelligenties en algoritmen en hun gebruikers worden gecreëerd.
Een van de aspecten van het antwoord op de vraag of technologische verandering de raison d’être van de historicus tenietdoen is tweeledig. Enerzijds is een computer niet alwetend: het is altijd mogelijk dat gegevens verkeerd worden geïnterpreteerd door een bug in het systeem of door een gebrek aan kalibratie of kennis. Bovendien zijn algoritmen voor kruisverwijzingen tussen bronnen tot nu toe voornamelijk gemaakt voor computergegenereerde bronnen, wat technologisch veel minder complex is dan voor handgeschreven historische bronnen. De historicus is dus nog steeds nodig, tenminste om de historische data output en interpretaties van deze programma’s te controleren.
Laten we de geschiedenis induiken op zoek naar ondersteuning van de bewering dat de historicus nog steeds nodig is. De negentiende-eeuwse linguïst Ferdinand de Saussure onderscheidt in zijn nooit voltooide theorie van het linguïstische structuralisme het binaire kenmerk van het woord of teken. De betekenaar is het concreet gerealiseerde teken, de uiterlijke vorm. De significaat is het mentale (menselijke) concept waarnaar de betekenaar verwijst.Als we dus met de gedachte van Saussure rekening houden zal worden opgemerkt dat een computer nog niet in staat is een woord te begrijpen zoals een mens dat doet. De betekenaar (signifiant) en de significaat (signifié) van woorden verschillen naar gelang van de cultuur, de normen, de taalbeheersing van de auteur en sociale afspraken.[3]
Het rekening houden met deze aspecten van de analyse gaat dit de capaciteit van AI nog te boven. De resulterende machine-interpretatie is waarschijnlijk minder nauwkeurig en minder dicht bij de historische waarheid dan de analyse van een historicus in deze zin. Natuurlijk is het ook op te merken dat de mens zelf tijds-en-plaatsgebonden is, met zijn eigen cultureel, sociaal en intellectuele achtergrond, waardoor hij zelf ook niet alles kan interpreteren of dat fout doet. Het verschil is dat de historicus zich daar bewust van is, of moet zijn, en zo dichter bij de historische waarheid kan komen dan een machine. De reden waarom een historicus dat wel kan als hij historisch bewust is is te vinden in de filosofie van Gadamer, Duitse filosoof van de twintigste eeuw.
Aangezien dat het Begrip het bereiken van overeenstemming inhoud waardoor anders onbegrip zich opdringt, stelt Gadamer dat Begrip zoiets als een gemeenschappelijke taal inhoudt, zij het een gemeenschappelijke taal die zelf gevormd wordt in het proces van het begrijpen zelf.[4] De gemeenschappelijke taal wordt voortdurend gevormd en hervormd in datzelfde proces.[5] In die zin is elk begrip volgens Gadamer interpretatief, en voor zover elke interpretatie de uitwisseling tussen het vertrouwde en het vreemde inhoudt, is elke interpretatie ook translatief.[6]
Toegepast op de geschiedenis zou dit kunnen betekenen dat ook al is de historicus plaats-en-tijdgebonden en cultureel gebonden, hij door een hermeneutisch gesprek met (bronnen uit) het verleden interpretatief dicht bij de historische waarheid kan komen, omdat hij dan de gemeenschappelijke taal (beter) beheerst.
Dat de resulterende machine-interpretatie waarschijnlijk minder nauwkeurig en minder dicht bij de historische waarheid is dan de analyse van een historicus is echter niet een gegeven in de toekomst. Niets kan ons verzekeren dat dit niet binnen twintig jaar binnen het bereik van AI en algoritmen zal liggen. Wanneer historici tegenwoordig al het nut prediken van algoritmen en programma’s die datamining, tekstanalyse en text mining mogelijk maken en de vernieuwende inzichten tonen die dergelijke analyses historici kunnen verschaffen, dringen zich twee vragen aan ons op: zal het doel van de historicus veranderen? En ten tweede: wat zouden de gevolgen zijn van door AI geconstrueerde historische informatie als basis voor het sociaal geheugen en het historisch bewustzijn?
Raison d’être, sociaal geheugen en maatschappij
Want ja, dit is een ander aspect van het antwoord op de vraag of technologische verandering de raison d’être van de historicus verandert. Als ChatGTP wordt gevoed door andere algoritmen die als voorwerk historische bronnen transcriberen, zou ChatGTP innovatieve historische essays of misschien (laten we fantasierijk zijn) nieuwe historische informatie en theorieën kunnen genereren. Wat betekent dit voor het sociale geheugen? Er kan nog steeds een misinterpretatie, een bug, of foute informatie bij het algoritme tevoorschijn komen. Dit zal impact hebben om het sociale geheugen, en dus op de maatschappij in de toekomst.
Zal de historicus in de toekomst een controleur zijn van de verschillende interpretaties die de AI via de sources-crossing-algoritmen creëert? Het is mogelijk dat hij of zij de interpretaties van de AI op dezelfde manier zal onderzoeken als een detective dat doet: onwaarschijnlijke paden en deuren afsluiten, met onvoldoende bewezen argumenten, met valse of verkeerd geïnterpreteerde feiten. Dit is zeker een mogelijkheid als het gaat om het probleem van de hoeveelheid bronnen waarmee historici in de toekomst te maken zullen krijgen. In dat geval zal er een verschuiving plaatsvinden in de geschiedschrijving: van “maker” of “ontdekker” van het verleden naar controleur en dus een accentverschuiving in de bestaansreden van de historicus.
Technologische verandering betekent ook dat de historiografische methodologie verandert. De evolutie of verandering van methoden binnen de historiografie is niet nieuw, aangezien historici altijd een kritische blik houden (en hielden) op hoe de onbereikbare historische waarheid zou kunnen worden ontdekt, of in ieder geval hoe deze zo dicht mogelijk kan worden benaderd. Net als in de natuurwetenschappen kan Popper’s theorie van falsificatie de basis vormen voor historisch onderzoek, misschien in een andere vorm. Terwijl historici, zoals eerder in deze tekst is benadrukt, de bronnen interpreteren en, door een nieuwe lezing van de bronnen te geven, een nieuwe theorie naar voren brengen of een oude theorie herzien; kortom, een mogelijke falsificatie van een theorie naar voren brengen; komt de historische wetenschap zo tot een historische consensus via een academisch debat.
AI en algoritmen zullen de wetenschappelijke theoretische basismethodologie van het historisch onderzoek niet veranderen, maar wel in de praktijk. Er vindt namelijk een belangrijke verschuiving plaats binnen de geschiedschrijving. Terwijl historici gewend zijn om met weinig bronnen te werken (de schaarste aan bronnen neemt toe naarmate men verder teruggaat in de tijd), vindt er met de ontwikkeling van de digitalisering een radicale verandering in kwantiteit plaats. De digitalisering van overheidsbronnen, bedrijfs- en organisatiegegevens groeit, waardoor de beschikbare bronnen exponentieel toenemen. AI en algoritmen duwen dit fenomeen in een andere dimensie, omdat het nu mogelijk is gegevens en persoonlijke bronnen over elk individu te verzamelen; hen persoonlijk leren kennen op een nooit eerder vertoond persoonlijk niveau, met behulp van programma’s en die gebruik maken van AI of algoritmen, waardoor een nog aanzienlijker hoeveelheid gegevens ontstaat. Een aanzienlijke hoeveelheid gegevens die met schrikbarende snelheid groeit naarmate de AI en algoritmen meer en meer leren over de mensheid. Moet de historicus ook een computerwetenschapper worden?
De vraag kan (opnieuw) worden gesteld, want het lijkt erop dat de geschiedschrijving haar nog niet serieus heeft gesteld; de cursussen aan de universiteiten gaan nauwelijks in op het onderwerp. Een reflectie binnen de historiografie over onderzoeksmethodologie en het gebruik van digitale hulpmiddelen zou hoog op de agenda moeten staan.
Ethische Geschiedvragen
Tenslotte komen er met de technologische veranderingen ook ethische vragen. Het valt niet te ontkennen dat historische processen in de loop der eeuwen exponentieel versnellen. Na het atoomtijdperk, het informatietijdperk, kan men stellen dat wij ons nu in het netwerktijdperk bevinden, en dat in iets meer dan een half decennium. Sociale en technologische veranderingen zijn de oorzaken van deze historische verandering. Historici en journalisten proberen bijvoorbeeld al in 2021 de capitoolbestorming in Washington te analyseren. Dit kan echter een ethisch probleem opleveren, aangezien historici nog steeds discussiëren over hun rol ten opzichte van het heden. Toch is de vraag niet nieuw. De technologische verandering maakt intrinsiek deel uit van de geschiedenis en de tijd. Het valt niet te ontkennen dat destijds geschiedenis werd geschreven over technologische veranderingen en hun gevolgen voor de samenleving. Maar werd daarover gerapporteerd door journalisten of historici? Nu technologische, wetenschappelijke en maatschappelijke veranderingen zich sneller voltrekken, hoe maak je echt het verschil? Als het verleden dichter bij het heden komt, wat moet de historicus dan doen?
Een andere ethische vraag, deze keer meer praktisch. Bij het bestuderen van de opstand van 6 januari op Capitol Hill, bijvoorbeeld, zijn de actoren die aan die historische gebeurtenis hebben deelgenomen nog in leven. Dat betekent dat zij recht hebben op privacy, ook al zijn de door AI en algoritmen gegenereerde gegevens technisch in staat om met een zekere mate van betrouwbaarheid te vertellen hoe en waarom die gebeurtenis plaatsvond. De (historische?) gegevens zijn er al. Hoe zal de historicus zich positioneren ten opzichte van vragen over privacy, wanneer de samenleving gebeurtenissen ondergaat die in zeer korte tijd identiteiten vormen en sociaal geheugen creëren in een versneld historisch proces?
Sociale geheugen en gevolgen van algoritmen en AI
Als laatste wil ik het hebben over het sociale geheugen en de gevolgen van algoritmen en AI daarop; en de rol van historici ten opzichte van deze ontwikkeling. Algoritmen en AI hebben een nieuw tijdperk met zich meegebracht. Een tijdperk van netwerken. Het netwerktijdperk wordt gekenmerkt door het gemak waarmee netwerken kunnen worden gevormd; ze worden gevormd door sociale, etnische, culturele en intellectuele groepen/verbintenissen met (trans)nationale dimensies. Met netwerktijdperk wordt bedoelt verschillende netwerken dat nu een kern vormen in de maatschappij door hun belang: sociaal netwerk (vrienden en familie bijvoorbeeld, ook via sociale media), professioneel netwerk (professionele contacten), informatie netwerk (vanuit de overheid, verschillende instituties, sociale media bijvoorbeeld) maar ook structureel netwerk als in fora, denk tanks instituties en bedrijven.Het is gemakkelijk om aan de andere kant van de wereld een gelijkgestemde of iemand met dezelfde smaak of interesse te vinden en zo deel te maken van een netwerk of er een te beginnen. Forums, think tanks of culturele en sociale reünies zijn even talrijk als gemakkelijk op te zetten dankzij het internet en bieden een breed platform voor expressie. Deze netwerken, met primaire culturele, sociale, economische of politieke motieven, geven vliegensvlug op anarchistische en synergetische wijze informatie door.
Deze manier van informatie delen geldt ook voor informatie die rond de geschiedenis wordt gecreëerd, gepubliceerd en gedeeld. Nepnieuws over de geschiedenis is nu gemeengoed, en historische complottheorieën zijn steeds populairder, om nog maar te zwijgen van het groeiende historische revisionisme. Deze nieuwe ontwikkeling in het netwerktijdperk is van cruciaal belang voor de geesteswetenschappen en de geschiedenis in het bijzonder. Zoals we aan het begin van dit essay zagen, is historische informatie het fundament waarop sociale identiteit wordt gebouwd. Geschiedenis kan worden gezien, gevoeld en ervaren in elke samenleving en elke (inter)nationale sociale ontmoeting. Wanneer verkeerde informatie over de geschiedenis wordt geschreven, gepubliceerd en gedeeld, ondermijnt dit deze identiteit. Revisionisme, historische desinformatie en historische samenzweringen bestonden al in het verleden maar deze nieuwe vormen van revisionisme verschillen om twee belangrijke redenen. De eerste is de snelheid en de omvang van het informatie-uitwisselingsproces; de tweede is de impact die het in korte tijd kan hebben op individuen en de samenleving. Dit leidt tot een nooit eerder geziene polarisatie van de samenleving, van de identiteit. Mensen die bijna de hele tijd in hun eigen informatienetwerk zitten, zien hun kennis en overtuigingen veranderen. In het geval van de geschiedenis kan dit dramatisch zijn vanwege de intieme band met de identiteit.
Hier komen we terug op de eerder benoemde opmerking over ChatGTP. Als een AI zoals ChatGTP, die subjectieve informatie van het internet haalt, geschiedenis schrijft en zo de identiteit en de werkelijkheid van het verleden vormgeeft op basis van een eenzijdige selectie van directe en indirecte bronnen (waaronder nepnieuws, gemanipuleerde geschiedenis/informatie) en op duizelingwekkende wijze wordt gedeeld, via duizenden informatienetwerken, hoe moeten historici – de wetenschappers van het verleden – dan te werk gaan? En moeten historici actief tegen deze nieuwe vorm van misinformatie strijden?
Conclusie
Voor de historicus is het belangrijk dat historische kennis zo dicht mogelijk bij de historische waarheid blijft. We moeten daarom nadenken over de net benoemde nieuwe uitdaging, aangezien het de samenleving op een ongekende manier raakt. Een geschreven historisch verhaal kan grote gevolgen hebben voor de toekomst, zoals negentiende-eeuwse nationalistische historici kunnen beamen. Het is daarom belangrijk dat historici het probleem erkennen van de democratisering van historische kennis en revisionisme als gevolg van de veranderingen die het netwerktijdperk met zich meebrengt.
In deze tekst zijn veel vragen gesteld en weinig oplossingen of antwoorden gegeven. Dit om de simpele reden dat die antwoorden nog niet, in ieder geval niet door mij, ontdekt zijn. Historici zijn nog relevant, en in mijn opinie, onmisbaar voor de samenleving. Een piste voor een antwoord op de geformuleerde vragen is dat de historische zijn maatschappelijke rol ter harte moet nemen. Dit houdt in dat de historicus deelneemt aan het debat. Zijn of haar expertise in tekst- en bronnenanalyse en historische methodologie is, in het netwerktijdperk, van het groot belang. Dit houdt in: geschiedenis uitleggen, maar ook en vooral geschiedenis en het grote publiek bij elkaar brengen om historische desinformatie of het misbruik van historische informatie te voorkomen of tenminste te bestrijden.
Gezien de intieme band met identiteit en het feit dat de historicus ten minste gedeeltelijk betrokken is bij de creatie van identiteit, alsmede recente maatschappelijke ontwikkelingen, is het van cruciaal belang na te denken over de vragen die algoritmen en AI ons stellen.
Met dank aan Isa Goosen.
[1] John Tosh, The Pursuit of History: Aims, Methods and New Directions in the Study of History, Sixth edition (London: Routledge/Taylor & Francis Group, 2015), 2-35.
[2] John Tosh, The Pursuit of History: Aims, Methods and New Directions in the Study of History, Sixth edition (London: Routledge/Taylor & Francis Group, 2015), 2-35.
[3] Ferdinand de Saussure et al., Cours de linguistique générale, Grande bibliothèque Payot (Paris: Payot, 1995).
[4] Jeff Malpas, The {Stanford} Encyclopedia of Philosophy, ed. Edward Zalta and Uri Nodelman, Winter 2022 (Metaphysics Research Lab, Stanford University, 2022), https://plato.stanford.edu/archives/win2022/entries/gadamer/.
[5] Jeff Malpas, The {Stanford} Encyclopedia of Philosophy, ed.
[6] Ibidem.





Leave a Reply